Hoop (3) – slot: Vrij zonder hoop

Ik geloofde het niet, maar er bestaat zoiets als ‘wiskundige hoop’. Volgens van Dale ‘het product dat je krijgt wanneer je een bedrag dat je hoopt te winnen, vermenigvuldigt met de kans die je hebt om dat bedrag te winnen’. Best interessant: het belooft een realistischere hoop en dus minder teleurstelling.

Om er vat op te krijgen, reken ik mijn wiskundige hoop uit voor mijn eindejaarslot. Al tijdens het rekenen voel ik dat het me eigenlijk helemaal niks uitmaakt hoe groot of hoe klein mijn wiskundige hoop is. Ik koop mijn lot voor de lol en als ik niet win, lijd ik helemaal geen verlies: die 30 miljoen is niet van mij en zonder eet ik geen boterham minder.

Dat lijkt een belangrijke voorwaarde voor de pijnlijke keerzijde van hoop: daadwerkelijk een groot verlies lijden als de hoop ijdel blijkt.

Ik stel me een ziektesituatie op leven en dood voor. Zou wiskundige hoop daar soulaas bieden? Ik twijfel onmiddellijk en voel dan een ‘nee’. Er zijn wel slaagkansstatistieken, maar ja, die zeggen niks over de kans van slagen voor die ene mens in die ene situatie. En welk bedrag ken je toe aan een ‘once-in-a –lifetime’-leven?

Maar hoe ga je dan wél om met het risico op verlies? Vol inzetten op een positieve uitkomst omdat dat mogelijk de kans op succes vergroot en de bijbehorende mega-teleurstelling op de koop toe nemen? Of jezelf indekken tegen teleurstellingspijn door je hoop af te dekken?

Dat laatste was tot nu toe mijn zelfbeschermingsstrategie. Maar ik hoor en lees nu over een andere mogelijkheid: Neem vóóraf je verlies al en erken dat je helemaal niks in te brengen hebt. Ja, je zult krakkemikkig en ziek worden; ja, je zult doodgaan; ja, je zult alles wat je dierbaar is op enig moment verliezen. Dat zit in de menselijke aard en daar is geen kruid tegen gewassen. Doorleef nu al deze oerverliezen tot in het diepst van je wezen en je angst ervoor lost op. Dan heb je geen hoop meer nodig, dan ben je vrij.

Erica van den Buijs

Hoop (2)

Hoop is een raar ding. Hoop doet leven maar veroorzaakt met hetzelfde gemak een hoop ellende. Denk maar aan de supervervuilende mesthoop in Nederland of de allesverslindende geldhoop van Elon Musk. Los van het materiële kan hoop ook behoorlijk huishouden in het emotionele en mentale domein: hoop komt pas op als iemand het nodig heeft en kan vervolgens beschaamd worden, in rook vervliegen of ijdel blijken te zijn.

Toch is voor de meeste mensen hoop positief: de situatie is nu dan misschien wel hopeloos, maar wie weet wat de toekomst brengt, er is toch nog van alles mogelijk. Hoop als een sprankje verwachtingsvol vertrouwen in de toekomst, een mentale strohalm om niet kopje onder te gaan, een lichtpuntje dat uitnodigt tot actie zodra het weer kan.

Zo hopeloos als ik het hierboven beschrijf hoeft het natuurlijk niet te zijn. Hoop duikt ook op in meer alledaagse situaties. Situaties waarin het niet helemaal gaat zoals we ons wensen,  waarin we ellende voorzien als een bepaalde wens niet uitkomt of waarin we het resultaat van iets niet onder controle hebben. Zo heb ik de hoop dat morgen de zon dan toch eindelijk weer eens gaat schijnen de afgelopen weken veelvuldig langs horen komen. Of de hoop om niet met een gipsvlucht terug te hoeven vliegen. Of de hoop op een winnend lot in de eindejaarsloterij.

Het was eigenlijk het boek Dagen als vreemde symptomen van Leonieke Baerwaldt dat de andere kant van hoop voor mij onthulde. Een boek over de dans tussen hoop en wanhoop in een moeder met een meervoudig gehandicapt kind. Een dans waarin ik meegenomen werd door rake zinnen met hoop in de hoofdrol:

Hoop is dope.

Alle ellende van mensen komt voort uit hoop.

Hoop is nu een zorgindicatie.

Hoop verlengt de marteling.

Hoop is nu een trage vierkwartsmaat…

Haar dans met de hoop stopt door het overlijden van haar dochter. Die van mij stopte door het lezen van haar boek. Mijn kijk op hoop is behoorlijk overhoop gehaald; ik ga op zoek naar een nieuwe danspartner.

Erica van den Buijs

Hoop

Hoop is belangrijk in deze periode van het jaar. Dat is al heel lang zo: duisternis, kou, en weinig voedsel leverden veel stress op voor onze vroege voorouders. Hoop op meer licht, warmte en voedsel in het voorjaar hield mensen op de been. Hoewel wij deze problemen niet echt meer kennen door lampen, verwarming en supermarkt, laten duisternis en kou ons toch niet onberoerd. En zijn we in voor feestjes van de hoop.

Daar zijn er twee van in deze periode. Het bekendste is Kerstmis. Een christelijk feestje om te vieren dat Jesus, ‘ het licht van de wereld’, aan ons geschonken werd.  Het tweede feestelijke hoopmoment is de start van het nieuwe jaar. We sluiten een periode af, laten alle ellende van het afgelopen jaar achter ons en hopen op nieuwe kansen en een jaar vol voorspoed. Voor mij niet per se feestelijke momenten door de commercialisering en de vuurwerkherrie.

Gelukkig is er nog een derde moment van hoop: de winterzonnewende, rond 21 december. Een beetje miskend, maar voor mij het meest hoopvol. Het steeds duisterder worden van de wereld stopt letterlijk; de dagen lengen weer, meer en meer licht sijpelt naar binnen met als hoogtepunt de zomerzonnewende op 21 juni.

De winterzonnewende is voor mij het meest natuurlijke moment voor hoop en vertrouwen omdat het helemaal wordt bepaald door de natuurlijke gang van de aarde om de zon. Het is helaas niet geschikt als universeel moment van hoop: waar voor ons op 21 december de zon steeds een beetje langer gaat schijnen, doet hij dat op het zuidelijk halfrond steeds een beetje minder.

Maar dat maakt het voor mij niet minder waardevol. En om de periode optimaal te benutten combineer ik de winterzonnenwende met de andere hoopfeestdagen: op 25 en 26 december verzamel ik nieuwe energie en moed,  op 31 december reflecteer ik op het voorbije jaar en 1 januari smeed ik nieuwe plannen. En die top ik op 6 januari  graag af met de wijsheid van de drie koningen zodat mijn plannen haalbaar en constructief worden. Een goed recept voor mooie kiemen in de lente.

Erica van den Buijs  

Goddelijk spel

G.O.D., J.A.W.E.H. en A.L.L.A.H. kijken vol afgrijzen naar hun kosmische scherm. Er voltrekt zich een drama in de Aarde-realm van hun Universal Evolution Game: het mensje, het succesvolste evolutieproduct tot nu toe, dreigt zichzelf te vernietigen.

Het leek een succesverhaal, hun zelflerend evolutiespel met een instabiel niets als uitgangspunt. Het niets werd iets en vormde stelsels van gas- en rotsballen. Eén rotsbal sprong eruit: helderblauw met een oersoep vol zelflerende sliertjes. Ze noemden de bal Aarde en de sliertjes Leven en volgden de ontwikkelingen op de voet. De omstandigheden in de Aarde-realm wijzigden regelmatig rigoreus, de sliertjes namen allerlei vormen aan en alleen de beste aanpassers bleven over. Dit mondde na eonen uit in superoverlevers: de mensjes. Hun geheim? Overmacht door handige werktuigen en samenwerking in groepen.

Het spel speelde zichzelf, de gamers raakten verveeld en brachten een verrassingselement in: drie onzichtbare avatars met elk een eigen mensjesprofeet met verlossingsvisioenen en heilige boeken voor tijden van nood. J.A.W.E.H had als eerste beet. Eén mensjesgroep bleek vatbaar en raakte heilig overtuigd het uitverkoren volk te zijn van de enige hemelse vader.

G.O.D. maakte daar handig gebruik van. Hij liet zijn profeet  J. in het J.A.W.E.H.-volk geboren worden. J. werd populair en toen weer niet, werd ontmaskerd als valse profeet en gekruisigd. Goed gedaan, dacht J.A.W.E.H., ik win. Dat was te vroeg gejuicht. G.’s profeet had namelijk een aura van onsterfelijkheid en beloofde leven na de dood. En wie wil dat niet? J. ging met zijn verhaal viral en werd een bron van haat en inspiratie.

A.L.L.A.H. keek stilletjes toe en leerde. Hij gaf zijn profeet M. wat extra visioenen, overtuigingskracht en vechtlust en stuurde hem op pad. Dat bleek een gouden greep, zijn mensjesvolk won snel terrein. De J.A.W.E.H.- en G.O.D.-volken werkten een tijdje samen en brachten zo de boel weer in balans. Maar de collectieve geheugens van de drie groepen werden nooit gewist en de vijandbeelden bleven smeulen.

Een nieuwe fase brak aan. De mensjes begonnen te doorzien dat ze pionnen waren in een virtueel spel. Ze namen het heft in eigen hand met MagicTechno als hun avatar, wetenschappers als profeten en eeuwige vooruitgang als verlossende boodschap. Ze ontwikkelden vele technohoogstandjes en stevenden af op onsterfelijkheid. De gamemakers leunden tevreden achterover, missie geslaagd.

Weer te vroeg gejuicht. Ze zien het aantal mensjes en de angst voor schaarste ineens exponentieel stijgen, ze zien de reactivatie van diepverankerde vijandbeelden. Twee vernietigende Aarde-oorlogen inclusief een J.A.W.E.H.-volkslachting door het G.O.T.T.E.S-volk volgen. Andere G.O.D.-volken stoppen het geweld met het geweld van leven-bedreigende stralingsbommen. De mensjes zijn gewaarschuwd, sluiten een gewapende vrede en starten een vrede-door-welvaartoperatie. Het kan niet op, maar dat valt tegen. Bronnen en leefbaarheid blijken eindig, MagicTechno blijkt onmachtig en de oneindige vooruitgangsbelofte een valse profetie. Het pad ‘ieder-voor-zich-en-niemand-voor-ons-allen’, de zekerste weg naar zelfvernietiging, doemt op.

Dát kunnen de kosmische gamedesigners niet over hun kant laten gaan. Ze bundelen hun krachten, zoeken naar een gamechanger en zien uiteindelijk maar één oplossing: een good old ‘deus ex machina’. Maar welke?

Erica van den Buijs

Een ikje: Zorgzaam

Mijn man en ik hebben een afspraak bij onze mondhygiëniste. Ze is er niet, er is een vervangster. Mijn man gaat als eerste.

‘En?’ vraag ik, als hij klaar is. ‘Tja, bijzonder, ze vroeg hoe ik me voelde. Toen ik zei: gaat wel, vroeg ze: fysiek of mentaal? Het leek wel een therapeutisch consult.’ ‘Oké’, zeg ik, ‘goed om te weten. Het gaat zo meteen dus fantastisch met mij’.

Ik stap de behandelkamer in en word hartelijk ontvangen: ‘Hallo, welkom, hoe gaat het met u?’ Volgens plan antwoord ik: ’Fantástisch, kan niet beter’. Ze blijkt echter niet voor één gat te vangen: ‘Fijn, fysiek of mentaal?’

Erica van den Buijs

Zinvolle zinnen

Twee fascinerende zinnen in W. van Steve Sem-Sandberg: “Mensen om hem heen of gebeurtenissen die hij meemaakt worden voor hem pas werkelijkheid wanneer hij in staat is ze een plaats te geven in een samenhang die hij zelf overziet.” En vijf pagina’s verder: “Welk inzicht? Nou, het inzicht dat we niet de juiste proporties en afmetingen hebben om de wereld te begrijpen.”

Deze raadselachtige zinnen horen voor mij bij elkaar maar ik weet nog niet hoe. Om het met die zinnen te zeggen: Ik ben duidelijk nog niet in staat ze een plaats te geven in een samenhang die ik kan overzien. En misschien komt dat ook nooit, omdat ik niet de juiste proporties en afmetingen heb om ze te begrijpen.

Dit omzetten van zinnen in de ik-vorm is mijn manier om vage zinnen betekenis te laten krijgen. Het maakt een algemene uitspraak ineens een persoonlijke  uitnodiging om dieper te kijken: waar appelleert de ik-zin in mij aan en is de uitspraak voor mij eigenlijk wel waar?

Dat in de ik-vorm zetten is begonnen met de leefregels van de boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh. In de we-vorm irriteerden ze mij door het hoog ‘kudde’- en ‘gij zult’-gehalte. Uit baldadige nieuwsgierigheid zette ik ze in de ik-vorm. “Wé streven een wereld na die…”  (Uh, ja, natuurlijk, nou en, maak ik zelf wel uit!) werd  “Ík streef een wereld na die …” (Huh? Is dat zo? Interessant! Oeps, pfff, misschien toch minder dan ik denk, pijnlijk…); er ging een wereld aan zelfinzicht voor mij open.

Zo ook nu weer. Na de ik-metamorfose van de twee zinnenhoorden ze ineens bij elkaar en beschreven de onontkoombare beperktheid van mijn bewustzijn. Want als ik niet de juiste proporties en afmetingen heb om de wereld te begrijpen en als dingen voor mij pas werkelijkheid worden als ik in staat ben ze een plaats te geven in een samenhang die ik zélf overzie, dan zit ik dus altijd in míjn versie van de wereld. En niet in die van dé wereld. Wist ik natuurlijk wel, maar goed om dat weer eens ergens te lezen.

Uit het leven gegrepen (filmscenario/ eenakter)

Een moeder en haar volwassen transdochter rijden in een auto naar de supermarkt. Moeder zit achter het stuur, dochter zit ernaast. Het is een tijdje stil. Dan opent moeder het gesprek.

Moeder: “Mag ik je iets vragen? Het gaat over lhbtiq+-ers en daar weet jij meer van dan ik.”

Dochter knikt aarzelend.

Moeder: “Hoe komt het toch, dat mensen die de gebruikelijke hokjes willen openbreken zo veel verschillende hokjes voor zichzelf creëren? Ik zag laatst een overzicht van al die lhbtiq+-vlaggen… Waarom niet kiezen voor één hokje: ‘mens-zijn’? Daarnaast: worden er niet twee dingen door elkaar gehaald? Genderidentificatie en sexuele voorkeur? Ik snap dat je kenbaar wilt maken hoe je jezelf identificeert en hoe je aangesproken wilt worden, maar je sexuele voorkeur? Dat is toch juist níet meer interessant in de huidige maatschappij?”

Na een halve minuut stilte volgt een antwoord.

Dochter: “De behoefte aan extra hokjes is een gevolg van de twee oerhokjes die we al eeuwenlang hebben.

Moeder: “Oh, hoezo?”

Dochter: “Nou, die gingen uit van twee genders, puur gebaseerd op uiterlijke geslachtskenmerken, die ook nog eens uitsluitend kruislings sex mochten hebben. Daar zit ook de koppeling. Meer wetenschap en minder kerk gaf wel ruimte voor de ontdekking en beleving van de natuurlijke variëteit in gender en sexuele voorkeur, maar de fixatie op die twee oorspronkelijke hokjes en de bijbehorende sexuele moraal verdween helaas niet. Dat maakt buiten deze hokjes leven nog steeds gevaarlijk en een eígen hokje creëren, om je eigenheid en ervaringen veilig te kunnen delen, heel verleidelijk. Ik denk dat al die lhbtiq+-hokjes pas verdwijnen als het heilige geloof in die twee oerhokjes er niet meer is.”

Moeder (peinzend): “Ah, ja, ik denk dat je gelijk hebt…  dan maar hopen op een hokjesvrije nieuwe generatie.”

In stilte rijden ze verder. Ze parkeren bij de supermarkt en stappen uit. Er loopt een jong kind langs. Het kijkt, stopt en vraagt:

Kind (tegen dochter): “Ben jij nou een man of een vrouw?”

Kosmische held

Het uitsterven van de mensheid is een kwestie van tijd: over 4,5 miljard jaar brandt onze zon op met in het voorprogramma een hittegolf waardoor al het water op aarde verdampt.

Of we het zo lang gaan uithouden is maar de vraag. De snelste en zekerste weg naar onze uitroeiing plaveien we momenteel zelf met onze verslaving aan nucleaire massavernietigingswapens en onze dodelijke levensstijl. Laten we het gebeuren of gaan we het vege lijf nog een tijdje redden door onze gevaarlijke gewoontes los te laten?

Ik vrees dat het een gelopen race is; het opgeven van verworven controle, rechten, bezit en comfort ligt niet in onze aard. Zeker niet als voorspelde rampspoed onze achtertuin nog niet heeft bereikt. Maar vaak ook niet als we er al door overspoeld worden. We blijven meestal doen wat we doen omdat we hopen dat het meevalt of omdat we niet anders kunnen: als je maar verslaafd genoeg bent, is niets voldoende reden om te veranderen.

En verslaafd zijn we, niet alleen aan onze verworvenheden, maar vooral aan het idee dat we als soort de onaantastbare topdog van de schepping zijn die alles en iedereen ondergeschikt mag maken aan zijn behoefte aan zekerheid en comfort. Individuen, bedrijven en landen die dit idee tot levenskunst hebben weten te verheffen, zetten we op een voetstuk en we omarmen het bijbehorende adagium ‘Ieder voor zich en [God/ de overheid/ de VN/…] voor ons allen’. Maar God is dood en de rest te machteloos om onze verslaving te breken.

Wat nu? We kunnen natuurlijk niks doen tot het water aan onze lippen staat. Maar effectiever lijkt een machtige gemeenschappelijke vijand. Een buitenaardse topdog die dreigt met een vijandelijke overname. Volgens mij gaan we dan héél snel wél samenwerken om te overleven… Laat maar doorkomen die kosmische hulk.

Erica van den Buijs

Code oranje

De gele bliksemflits spat van mijn telefoonscherm, het rood van de waarschuwingsdriehoek dringt zich aan mij op: er komt noodweer aan! Mijn brein springt in de overlevingsstand, allerlei rampscenario’s schieten door mijn hoofd en ik vink het lijstje met veiligheidsmaatregelen af: zonnescherm opgerold, ramen en deuren dicht, tuingieter naar binnen, de oleanders onder het afdak…

Een vreemde donkerte sluipt het huis in en maakt lezen onmogelijk. Ik doe het licht aan en kijk naar buiten. De lucht trekt dicht met het dreigende groengele grijs van naderend onheil. Ik ervaar een oorverdovende stilte, de vochtige lucht leunt zwaar op de aarde en alles houdt de adem in.

Ik besluit naar buiten te gaan, dit wil ik meemaken. Zittend op mijn stoel, met mijn huis als rugdekking, slurp ik de natuur op met al mijn zintuigen. Herinneringen aan onweer, storm en regen, windstoten en hagel in een tentje in de Alpen, aan kapotgewaaide caravans, kromgewaaide tentstokken en als luciferhoutjes afgebroken bomen, komen omhoog. Mijn hart klopt in mijn keel, de spanning stijgt.

Het ruisen van de bomen wordt luider en luider, de kruinen zwaaien vervaarlijk ver heen en weer op hun krakende stammen. Aanzwellende wind, alles in beweging, dieren verstopt in de heg, een onverwachte vleug vlinderboom, naderende donder in de verte en de eerste dikke druppels op de tuintafel. Ik zet mij schrap voor wat komen gaat, om naar binnen te kunnen vluchten zodra het losbarst.

Maar niet ik vlucht, de storm vlucht, oostwaarts, met regen en onweer in zijn kielzog. Zo snel als de wind opkwam, gaat die ook weer liggen, het wolkendek breekt open en de zon keert terug.

Ik kijk rond, alles is weer zoals het was. Opluchting en teleurstelling strijden en teleurstelling wint: wéér een code oranje die zijn schreeuwerige belofte voor spektakel niet nakomt. Erica van den Buijs

Hoe eerlijk is sport eigenlijk?

Bij de Paralympische Spelen hanteert men zwaartecategorieën voor handicaps. Soms voegt men twee zwaartecategorieën samen, meestal wint een sporter uit de lichtste categorie. Niemand protesteert maar ik denk: Is dit eerlijk?

Ook bij ‘reguliere’ sporten hanteert men categorieën om kansengelijkheid te creëren. De meest basale indeling is ‘mannenlichamen’ en ‘vrouwenlichamen’. Dat die indeling niet zaligmakend maar wel heilig is toont de ophef over twee mannelijk ogende boksters tijdens de laatste Olympische Spelen. Het IOC verklaarde: “Dit zijn vrouwen, geboren en getogen in hun vrouwenlichamen.” “Niet eerlijk” zeiden velen, “ze zijn te sterk, te mannelijk, de ‘echte’ vrouwen hebben geen schijn van kans.”

Maar ja, is dat niet eigen aan sport? Het ene lichaam is geschikt voor schaken, het andere voor de marathon en het volgende voor karate. Sommige lichaam-geestcombinaties blinken zó uit in hun sport dat alle anderen het nakijken hebben. Ook hulpmiddelen kunnen behoorlijk veel impact hebben. Hoe eerlijk is het als de snelheid van je auto voor een groot deel je winstkansen bepaalt? Of de sprongkracht van je paard, de veerkracht van je schoenzolen of die van je blade? Er is nog maar één conclusie mogelijk: sport is inherent oneerlijk…maar laat dat alsjeblieft de pret niet drukken.

Erica van den Buijs