Bij de Paralympische Spelen hanteert men zwaartecategorieën voor handicaps. Soms voegt men twee zwaartecategorieën samen, meestal wint een sporter uit de lichtste categorie. Niemand protesteert maar ik denk: Is dit eerlijk?
Ook bij ‘reguliere’ sporten hanteert men categorieën om kansengelijkheid te creëren. De meest basale indeling is ‘mannenlichamen’ en ‘vrouwenlichamen’. Dat die indeling niet zaligmakend maar wel heilig is toont de ophef over twee mannelijk ogende boksters tijdens de laatste Olympische Spelen. Het IOC verklaarde: “Dit zijn vrouwen, geboren en getogen in hun vrouwenlichamen.” “Niet eerlijk” zeiden velen, “ze zijn te sterk, te mannelijk, de ‘echte’ vrouwen hebben geen schijn van kans.”
Maar ja, is dat niet eigen aan sport? Het ene lichaam is geschikt voor schaken, het andere voor de marathon en het volgende voor karate. Sommige lichaam-geestcombinaties blinken zó uit in hun sport dat alle anderen het nakijken hebben. Ook hulpmiddelen kunnen behoorlijk veel impact hebben. Hoe eerlijk is het als de snelheid van je auto voor een groot deel je winstkansen bepaalt? Of de sprongkracht van je paard, de veerkracht van je schoenzolen of die van je blade? Er is nog maar één conclusie mogelijk: sport is inherent oneerlijk…maar laat dat alsjeblieft de pret niet drukken.
Erica van den Buijs